
“Death and the Flower”
Akseli Gallen-Kallela
Kan het zo zijn dat er mensen bestaan die werkelijk naar de dood verlangen?
Daarmee bedoel ik, dat iemand vanuit zichzelf een fundamentele doodsdrift met zich meedraagt, een diep verlangen het leven achter zich te laten. Niet enkel in donkere tijden, wanneer men door heftige emoties overspoeld worden of zich depressief voelt, maar bij voortduring. De aanleiding om deze vraag te stellen vormen leven en werk van de Vlaamse dichter Jotie t’Hooft (1956 – 1977)
Men zou kunnen zeggen dat t’Hooft een dweper was, een neoromanticus die zich verwant voelde met de zwartgallige poëzie van dichters als Baudelaire en Rimbaud. Iemand die bovendien veel drugs gebruikte, en op die manier voortdurend probeerde de harde realiteit voor even te ontvluchten. Ook is het zo dat Jotie’s eerste twee zelfmoordpogingen (in 1973 en 1976) een reactie lijken te zijn op wat hem overkomt.
De eerste maal wordt zijn vriend en drugsmaatje ‘Chapo’ door zijn ouders weggeplukt, waardoor hij alleen in hun appartement achterblijft. De tweede maal heeft hij een cheque van uitgeverij Manteau gestolen, waar hij als redacteur werkzaam is. De vader van zijn vrouw Ingrid Weverbergh is directeur van de uitgeverij. Dit suggereert een impulsieve wanhoopsdaad: geen uitweg meer zien in de situatie, en zodanig overspoeld worden door een gevoel van wanhoop dat je er dan maar een einde aan probeert te maken.
Daar valt tegenin te brengen dat Jotie al op jonge leeftijd gefascineerd is door de dood: als zijn grootvader sterft aan een hartaanval, merkt de driejarige Jotie op dat opa geluk heeft, omdat hij zich nu om niets en niemand meer hoeft te bekommeren. Het gevoelige en slimme jongetje verzamelt ook schedels van dode dieren, en schelpen (‘de huizen van dode dieren’). In zijn poëzie is de dood vanaf het begin het belangrijkste thema: in zijn bundel Schreeuwlandschap (1975) staat het volgende gedicht.
EEN DOODSHOOFD
Mijn stilste en mijn trouwste vriend
getuige van het vele leed dat groeit
getuigenis ook van de verlossing
en hoe een & ander wordt verdiend.
Dat mijn doods hoofd mij eens
en voor altijd wordt ontroofd
door medemensen eerst omkleed
door wormen dan geheel gedoofd:
Somber, zult u zeggen, triest.
Toch rest mij nog de stille hoop
eens als schedel vriend te zijn
van anderen als wanhoop hen bevriest.
Ook in de periode daarna, als het goed met Jotie gaat, blijft hij over de dood schrijven. Voor zijn tweede bundel Junkieverdriet (1976) wint hij literaire prijzen. Hij krijgt brede erkenning, publiceert in literaire tijdschriften en wordt (als 21-jarige) redacteur bij een aantal tijdschriften. Maar de dood blijft een onontkoombaar streven.
SAMEN
Moeder, gij hebt mij moeizaam uitgespuwd
En van elk jaar de harde striem verdragen
Want mijn waaien was niet gauw geluwd
Ik wou eerst in alle kieren klagen.
In uw hagelwit harnas gemetseld
Zijn wij samen door de tijd verwond
Die ons nimmer wilde dragen
En bittere lijnen kerfde rond de mond :
Of er een vrucht is van dat alles
Vraag ik mij niet langer af,
Maar ik probeer u te benaderen,
Nog even, voor het graf.
(Uit Junkieverdriet)
“Zijn tweede dichtbundel Junkieverdriet werd bekroond met de prestigieuze Reina Prinsen Geerligsprijs. Fier verklaarde Julien Weverbergh dat Hugo Claus de keizer was maar Jotie T’Hooft de prins. Zijn hervallen in drugs bracht het koppel in geldnood. In een vlaag van onbezonnenheid verduisterde Jotie een cheque van de uitgeverij. Toen dit werd ontdekt ondernam hij zijn tweede zelfmoordpoging. Ditmaal zoop hij een fles whisky leeg en spoot zich een oplossing van valiumtabletten in de aders. Opnieuw werd hij gered. Op een avond, in zijn herstelperiode, vroeg hij zijn moeder in alle ernst: “Moe, als jij wil leven, dan leef jij. Wel, ik wil doodgaan, waarom mag ik dat dan niet?” (bron: http://www.chielens.net/Jotie/)
Als ik wil doodgaan, waarom mag dat dan niet? Kijkend naar het leven van Jotie t’Hooft zou je kunnen stellen dat er mensen zijn die, alle goede bedoelingen van hun medemens ten spijt, onstuitbaar naar de dood verlangen. Van bezorgde buren tot de stoet aan hulpverleners die de moderne mens ter beschikking staan – wie wezenlijk liever dood wil zijn dan te leven, laat zich niet tegenhouden. Op 5 oktober 1977 neemt Jotie een overdosis cocaïne. Voor zijn overlijden heeft hij een laatste groet aan zijn vrouw Ingrid op de muur gezet.
Met deze laatste daad wordt hij de bij mijn weten enige Vlaamse poete maudit, en ook een van de gestorven kinderen van de jaren ’60 en ’70 (denk aan Morrison, Joplin, Hendrix) die in een haast Nietzscheaanse geste hun talent en levensdrift in een korte periode doen ontvlammen. Ontploffingen van dionysische genialiteit ~ een fel en heftig ontbrandingsproces waarvan het publiek getuige mag (moet?) zijn.

De intrigerende vraag blijft voor mij: bestaat er zoiets als een aangeboren doodsdrift?
En zo ja, met welk recht of rede oordelen we over de legitimiteit van die wens?


![Marguerite_Yourcenar[1]](https://jasperligthart.nl/blog/wp-content/uploads/2014/02/Marguerite_Yourcenar1.jpg)

![p17[1]](https://jasperligthart.nl/blog/wp-content/uploads/2014/02/p171-198x300.jpg)


2 Responses to Doodsdrift