Het Boze Oog

Het Boze Oog
 
De zon drong broeiend door de damp en duisternissen
Gods licht beef ongezien; de donder werd gehoord
Uit zee verscheen het oog, dat uit het ongewisse
De prooi vermoedde met de wellust van de moord.

 

Het licht heeft op het oog de tijd in kleur geweven
Daar stierf het avondrood en naderde het hart
De zee werd donkerblauw, de lucht azuur geschreven
De zomer groen en goed, de winter wit en zwart

 

En de eeuwen zijn geronnen tot de waan der wereld
Waarin een zin zich in gestalten openbaart.
God siddert in het licht, dat speels op de ogen paerelt
Terwijl zijn tragedie ons door de zielen vaart

 

Aanhanklijk kluit de klei om het verstokt gesteente,
Waarop het ruige woud zijn bloesems blozen laat
En innig gloeit het vlees en kleeft aan het gebeente,
Zoals de mythe bloeit in woorden, rijm en maat.

 

Het licht boetseerde uit golven slangen en reptielen,
Waarmee het water levend over land bewoog.
Hun huiden werden stug, gepantserd gaan hun zielen
En eeuwig loert de zee uit hun kwaadaardig oog.

 

De monsters tierden wulps bij de serene sterren.
De zee van ogen ging zich richten naar het licht
En in hun lenden wies het tij van God van verre,
Want zij weerspiegelden zijn rijzend aangezicht.

 

Nu wordt de grond bezield. Beweeglijk gaan haar kluiten
Hun grove wortels klauwen voorwaarts door de drek.
Tot zij zich razende om een ander wezen sluiten.
Dat sterft voor Gods idee in hun ongure bek.

 

Geslachten doemen op ten kam van gaan en komen.
De golf die hen verhief, ontgaat hun in de dood.
Zij zinken ademloos in Gods vergane dromen
En sterven uit de tijd zoals het avondrood

 

(Uit: Albert Besnard, Leegte en verlangen)
 

“Besnard, schreef ik in mijn inleiding bij Drama, heeft déze gespletenheid altijd ondergaan en beleefd: zich te moeten en te willen onderwerpen aan een dwingende fatale orde, waarbuiten geen heelal denkbaar is, maar dat het individu in de ongeremde uitleving van zijn animale instincten belemmert; én: in opstand te moeten en te willen komen vanuit een al even dwingend en fataal biologisch en wijsgerig verzetsinstinct tégen de wet en tegen de orde. Het is de oude verdeeldheid, niét van de geest tegen het vlees, maar van de rede tegen wat de rede te buiten en te boven gaat.”

(Pierre H. Dubois in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1972-1973)

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *